Tillandsia

Dit is met ongeveer 600 soorten het grootste en ook meest verspreide genus. Het is in 1753 door Linnaeus genoemd naar de Zweedse, in Finland levende arts en botanicus Elias Tillands wiens naam ook wel als Til-Landz wordt vermeld. De planten komen voor in de meest uiteenlopende leefmilieus (regen- en nevelwoud, savanne, gebergte, woestijn), in alle landen van de noordelijke tot de zuidelijke begrenzing van het verspreidingsgebied van bromelia's. De grijze beschubde atmosferische soorten zijn meestal klein. Zo bestaan de slierten van het "Spaans mos" (T. usneoides) uit vele plantjes van enkele centimeters groot met bloempjes van enkele millimeters. Elk nieuw plantje groeit steeds uit de top van de scheut van het vorige plantje. De meeste van de xerofytische Tillandsia's bemeten 10-20 cm; xerofytisch (ook xerisch genoemd) moet gezien worden als groeiend in een vrij droog milieu, veel minder vochtig dan de omgeving waar de mesofytische (mesisch, vocht gewend zijnde) soorten groeien, welke de meerderheid binnen het geslacht vertegenwoordigen. In de cultuur worden de mesische soorten, epifyten afkomstig uit de regenwouden, gekweekt als potplanten. Voorbeelden zijn de kleine (15 cm) T. cyanea met smal groen grassig blad en een fraaie grote purperen bloei-aar en T. wagneriana, een grotere soort (40 cm) met brede bladeren in kokervorm en samengestelde aren, bleekroze tot purper gekleurd. Kleine soorten (30 cm) zijn ook T. dyeriana, met steile koker, gevlekt blad, hangende oranje aar met kleine witte bloemen, alsmede T. leiboldiana met paarse bloempjes en roodgekleurd schutblad. Zeer grote soorten zijn er ook, zowel epifytisch groeiend in het regenwoud als terrestrisch op rotswanden in drogere gebieden. Eén van de grootste is T. grandis uit Mexico die in bloei wel 5 meter meet. Veel grote soorten produceren geen uitlopers en zijn meerjarig hapaxanth dat wil zeggen bloeien na een aantal jaar, sterven daarna af en planten zich alleen voort uit zaad. Een voorbeeld hiervan is T. prodigiosa, een soort met hangende bloeiwijze. Hoewel bij Tillandsia's de individuele bloemen kortstondig bestaan kan de bloeiwijze als geheel vaak een maand of twee mooi blijven.

De Tillandsia's worden verdeeld over 6 subgenera, taxonomisch bepaald door verschillen in de bloemkenmerken. Sommige subgenera bevatten zowel xerische als mesische soorten, die in uiterlijk erg verschillen. De verklaring hiervoor wordt gezocht in de veranderingen van klimaat in Zuid-Amerika, waar natte en drogere tijdperken elkaar hebben afgewisseld en elk tijdperk niet langer dan 15000 jaar duurde; in iedere periode hebben soorten zich steeds moeten aanpassen aan de veranderende omstandigheden waardoor deze morphologische diversiteit ontstond. De zes subgenera zijn: Allardtia, Anoplophytum, Phytarrhiza, Diaphoranthema, Tillandsia en Pseudalcantarea. Tot voor kort (1992) was er nog een zevende subgenus, Pseudo-Catopsis genaamd, maar dat is nu het geslacht Racinaea geworden.

De vraag kan gesteld worden: waarom groeien Tillandsia's op plaatsen waar geen of nauwelijks andere hogere planten voorkomen? Het antwoord kan gegeven worden door een aantal eigenschappen op een rij te zetten en in kombinatie te beschouwen:

. de epifytische levenswijze, waardoor deze soorten niet afhankelijk zijn van vruchtbare grond en minder concurrentie hebben van andere plantensoorten in de strijd om ruimte
. de bouw van het blad: dik, smal en klein en daardoor met een verhouding tussen inhoud en oppervlak die gunstig is voor het opslaan en vasthouden van vocht
. een efficiënte waterhuishouding door het CAM-metabolisme
. een grote zaadproduktie, mogelijk gemaakt doordat minder energie nodig is voor de vorming van blad en wortels
. de methode van zaadverspreiding door de wind
. een tendens naar zelfbestuiving
. de unieke organen voor de vochtopname (trichomen)

Soorten voor de cultuur

Een selectie is gemaakt van soorten die niet al te moeilijk te verzorgen zijn.
Atmosferische soorten die veel licht, directe zon, goede luchtcirculatie en voldoende luchtvochtigheid (boven 50 %) nodig hebben; 's zomers kunnen ze het best buiten geplaatst worden, in de winter koel en droog houden. Het zijn pure epifyten.

T. aëranthos, albertiana, araujei, argentea, argentina, balbisiana, bergeri, brachycaulos, bryoides, cacticola, capitata, caput-medusae, caulescens, concolor, crocata, diaguitensis, disticha, duratii, edithae, fasciculata, friesii, fuchsii, funckiana, gardneri, geminiflora, incarnata, ionantha, ixioides, juncea, latifolia, loliacea, lorentziana, macbrideana, magnusiana, meridionalis, paleacea, paucifolia, peiranoi, plumosa, polystachia, pseudobaileyi, purpurea, recurvata, reichenbachii, schiedeana, seleriana, sphaerocephala, straminea, streptocarpa, streptophylla, tectorum, usneoides, utriculata, vicentina, xiphioides

Soorten die ingedeeld kunnen worden tussen de atmosferische en de groene soorten. Ze hebben wel veel licht nodig maar mogen niet in de volle zon; epifytische cultuur.

T. bulbosa, filifolia, tenuifolia, stricta, tricolor

Groene Tillandsia's met smal blad, verzorging in halfschaduw in de zomer. In de winter zo veel mogelijk licht, temperaturen gehele jaar redelijk gelijkmatig (18-22 °C). Hoewel epifytisch in de natuur, worden ze meestal als potplant gecultiveerd.

T. anceps, cyanea, flabellata, lindenii, punctulata, secunda

Grotere groene soorten, kokerbromelia's met een breder blad, die verzorgd kunnen worden als Guzmania's en Vriesea's (potplanten).

T. dyeriana, leiboldiana, multicaulis, wagneriana

Ursulaea

Dit geslacht (door R. Read en U. Baensch in 1994 genoemd naar de vrouw van Baensch) kent 2 soorten. U. tuitensis is succulent terrestrisch met staande bloeiwijze, U. macvaughii is een epifytische kokersoort met hangende bloei. Beide soorten komen voor in Jalisco, Mexico. In afwijking van Aechmea zijn bij Ursulaea de kelkbladen symmetrisch. De bloem is paars van kleur. De planten lijken het meest verwant aan Billbergia en vallen op door het "berijpte" uiterlijk van de bloeiwijze. Recent genetisch onderzoek heeft uitgewezen dat U. tuitensis dichter staat bij sommige Aechmea's (bv. A. mexicana en A. lueddemanniana) dan bij U. macvaughii, hetgeen de status van dit genus controversieel maakt.

Vriesea

Het geslacht is in 1843 door J. Lindley genoemd naar de Nederlandse professor Willem H. de Vriese (1806-1862) uit Leiden, niet te verwarren met Hugo de Vries (bekend van zijn mutatietheorie in de erfelijkheidsleer). Beide botanici waren ook verbonden aan de Amsterdamse Plantagehortus. De Vriesea's waren al vroeg in Europa vertegenwoordigd, V. psittacina was in 1826 in de hortus van Liverpool bekend. Vriesea was en is een dankbaar geslacht voor de teelt van cultivars, in 1876 werd door E. Morren reeds V. psittacina gekruist met V. carinata. De bijna 250 soorten zijn verspreid van Mexico tot Argentinië met de grootste concentratie in Brazilië. In de regen- en nevelwouden groeien de middelgrote kokersoorten meest epifytisch; deze hebben dezelfde verzorging nodig als de Guzmania's en groene Tillandsia's. Er zijn ook enkele kleine, op atmosferische Tillandsia's gelijkende soorten (zoals V. patula en V. espinosae) die ook dezelfde verzorging nodig hebben als deze luchtplanten. Vegetatief zijn ze niet van Tillandsia's te onderscheiden; alleen bij bloeiend materiaal kan men aan de hand van de aan- of afwezigheid van "ligulae" (schubjes onderaan de kroonbladen) het onderscheid maken. Vriesea's vallen op door hun grote geel- tot roodgekleurde bloeiwijze in enkele of meervoudige aarvorm, waaruit de overwegend gele of paarse bloemen verschijnen. De bekendste cultuursoort, V. splendens, heeft als bijnaam "het vlammend zwaard" en is ook vanwege de bladtekening een zeer fraaie plant. De bloeiwijze blijft maanden toonbaar. Enkele grote soorten hebben een fraaie bladtekening, zoals V. hieroglyphica, fenestralis, seideliana, gigantea, fosteriana. De laatste twee behoren tot een groep nachtbloeiers; de witte of groenige bloemen van de soorten uit deze groep bloeien slechts één nacht, geuren sterk naar fruit en scheiden een slijmerige substantie af. Vleermuizen zorgen voor de bestuiving. Vriesea kende tot voor kort de subgenera Vriesea met een aantal nachtbloeiende soorten en Alcantarea, van elkaar te onderscheiden door de vorm van zaad en kroonbladen. In 1995 zijn veel Vriesea's ingedeeld in het nieuwe geslacht Werauhia en werd Alcantarea een apart genus. Er is nu alleen nog het subgen Vriesea, bestaande uit de secties Vriesea en Xiphion.

Soorten voor de cultuur

Kleine soorten (tot 30 cm) :

V. bleherae, carinata, heliconioides, psittacina, simplex, poelmanii (x)

Middelgroot tot groot (30-80 cm) :

V. fenestralis, fosteriana, hiëroglyphica, rodigasiana, saundersii, seideliana, splendens, zamorensis

Werauhia

In 1995 door J. Grant genoemd naar W. Rauh en ingedeeld in twee secties, Werauhia en Jutleya. Het waren de zgn. "thecophylloid" soorten van Vriesea, genoemd naar het geslacht Thecophyllum (André, 1889) waar ze oorspronkelijk toe behoorden. Het zijn planten uit het nevelwoud, epifytisch maar ook terrestrisch groeiend o.a. op de hellingen van vulkanen in Costa Rica en Panama en in mindere mate voorkomend tot in zuidelijk Mexico en noordelijk Peru. De meeste zijn nachtbloeiers; de bekendste soort, Werauhia ororiensis met rode schutbladen en groengele bloem is dat niet, deze wordt bestoven door kolibrie's. Er zijn ruim 70 soorten, niet in cultuur omdat de meeste niet aantrekkelijk zijn en vrij kleurloos, de meest groenwitte bloemen staan in tweevoud in overwegend groengekleurde schutbladen. Wel heeft het blad van de rozet vaak een mooi bruinrood lijnpatroon in de lengte en/of de breedte. De klimaatomstandigheden waaronder ze groeien zijn ook moeilijk na te bootsen in cultuur.

Wittrockia

Na de herziening van Nidularium en verwante geslachten (Leme,1997-2000) zijn er nog een zestal Wittrockia's, planten met stevig blad voorzien van scherpe stekels van 2-6 mm. Dit blad krijgt bij de bloei geen roodverkleuring, bij intens zonlicht wordt het wel rood. De soorten zijn middelgroot tot groot, via scheutvorming worden grote groepen gevormd. De bekendste - W. superba - heeft een vlakke rozet van 1 meter doorsnee met een verzonken bloeiwijze, de spitse bladpunten zijn rood, de bloem is wit. Er zijn ook soorten met gele petalen of een bloeiwijze met een steel boven de rozet uitstekend. De schutbladen zijn roze of rood gekleurd. De andere 5 soorten zijn W. cyathiformis, gigantea, paulistana, spiralipetala en tenuisepala. Het geslacht komt voor in het kustgebied van Zuidoost-Brazilië, epifytisch en op rotsbodem. De naam van het genus eert V.B. Wittrock (Lindman, 1891), directeur van het botanisch museum te Stockholm.